De fiets met houten banden begaf het

Door N.J. (Niek) Prinsen
Tijdens de hongerwinter 1944-1945 was ik 17 jaar en woonde nog bij mijn ouders thuis in Zeist. In die periode stonden voor mij en voor vele anderen twee zaken centraal: de honger en de hoop op spoedig einde van de bezetting.
Allereerst iets over dit laatste punt. Elke dag luisterde ik gespannen naar Radio Oranje via een kristalontvanger die een handige buurjongen voor mij had gemaakt. De opmars van de geallieerden werd steeds trouw geregistreerd op een kaart van Europa.
Een andere nieuwsbron was ‘Het Strijdtoneel” , een lokaal ondergronds blaadje dat ik, als het donker was, bij een tiental vertrouwde adressen in de bus deed. Wat de honger betreft was er de dagelijkse gang naar de gaarkeuken. Mijn moeder had familie in Werkhoven/Neerlangbroek. Daar ging zij zo nu en dan op de fiets naar toe. Zij kwam vrijwel altijd terug met wat aardappelen, groenten, kaas, melk en fruit. In verband met de controle onderweg, werd een kaas om haar buik gebonden zodat het leek alsof ze zwanger was. Ongeveer eenmaal om de veertien dagen, ging ik op de fiets ,met houten banden, naar Woudenberg en Scherpenzeel om daar bij de boerderijen om voedsel te bedelen. Soms nam ik spullen als ruilmateriaal – uit mijn moeders linnenkast. In Scherpenzeel had ik een vast adres waar ik altijd mee mocht eten bij het middagmaal. Meestal kwam ik terug met wat brood, melk en aardappelen. Dat ging goed totdat ik op een keer bij Woudenberg door het versleten achterwiel van de fiets zakte. Ik moest deze achterlaten en lopend mijn huis in Zeist zien te bereiken. Het was al donker en de “spertijd” (na acht uur mocht niemand meer buiten zijn) was ingegaan. Door de donkere bossen van Austerlitz mijn weg zoekende kwam ik rond negen uur bij mijn verontruste ouders thuis.
Mijn ouders hadden in het najaar 1944 onderdak verleend aan een bejaarde dame uit Bennekom die op bevel van de Duitsers naar Zeist was geëvacueerd. Zij deelde slechts zeer minimaal mee in het beetje extra voedsel in ons gezin. Voor mijn moeder gold: eigen gezin eerst. Ik was het daarmee niet eens en bracht haar geregeld stiekem een appel in haar kamertje.
Ik herinner mij ook een geweldige ruzie met mijn zes jaar oudere zus Toen elk huishouden verplicht werd een deken in te leveren voor de Duitse soldaten aan het Oostfront in Rusland stond mijn zus erop aan dit bevel te voldoen uit vrees dat de uitzet voor haar huwelijk gevaar zou lopen. Voor het inzamelingscentrum heb ik toen hard met haar gevochten om te verhinderen dat de deken ingeleverd werd. Ik verloor helaas de strijd want tegen deze “vrouwelijke furie’ was ik niet opgewassen.
Tijdens de hongerwinter liepen 17-jarige mannen gevaar opgepakt te worden tijdens door de Duitse bezetter uitgevoerde razzia’s. Degenen die gepakt werden moesten gaan werken aan verdedigingswerken in de streek Arnhem, Oosterbeek, Renkum en Ede/Wagcningen. De dag voor een razzia werden wij meestal gewaarschuwd door de ondergrondse. Bij vrienden in dezelfde laan dook ik dan onder in een redelijk, gerieflijke schuilplaats die zich onder het huis bevond. Wij hoorden vaak de laarzen van Duitse soldaten boven ons hoofd maar zij vonden ons nooit. Zo werden wij een keer verrast door een onaangekondigde razzia in maart 1945. Er was geen tijd meer om naar mijn vrienden te gaan. Mijn toekomstige zwager en ik vluchtten naar een in de tuin gegraven schuilkelder. Ik was éérst en mijn zwager volgde mij. Hij werd gezien en moest tevoorschijn komen. De Duitser nam niet de moeite om verder in schuilplaats te kijken. Opgepakt wist mijn zwager te ontvluchten door in de smalle hoofdstraat van Woudenberg uit de rij te stappen en een winkel binnen te gaan.
Omdat er geen elektriciteit was, was de winter erg koud. Wij gingen altijd om 9 uur ’s avonds naar bed. Zitten in een onverwarmde kamer, waar geen licht brandde was geen pretje. Mijn zuster draaide nog wel eens grammofoonplaten. De gammofoon kon met de hand worden opgewonden. Dan luisterden wij naar muziek van Louis Armstrong, Duke Ellington en Zarah Leander. In het najaar van 1944 was er geen school meer en toen gingen mijn vriend en ik eenmaal in de week met paard en wagen door Zeist om bouillon te verkopen die van de vleeswarenfabriek Gevato in Driebergen kwam. Boven op de bouillon dreef wat vet en daarom waren onze ouders altijd de eerste klanten. Het paard en de wagen waren eigendom van familie de Geer die op het landgoed Kerkenbosch woonden.
Eind november 1944 beraamden mijn twee vrienden en ik het plan om over de Ríjn te zwemmen naar het al bevrijde gedeelte van Nederland. Dit om de razzia’s te ontlopen. Om aan de kou te wennen oefenden wij in het gesloten zwembad Blikkenberg. Om onderkoeling tegen te gaan hadden wij wat vet bemachtigd om ons mee in te smeren alvorens de overtocht te beginnen. Ons plan lekte thuis uit en mijn ouders wisten mij ervan te weerhouden. Van Kerstmis 1944 herinner ik mijn heel weinig. Nog wel voor mijn geest staat dat wij op de een of andere manier een kip hadden bemachtigd die mijn zus en ik moesten plukken. Mijn grootouders woonden ook in Zeist en waren in 1945 50 jaar getrouwd. De voorbereiding voor het feest bestond met name uit het bijeenbrengen van voedsel dat zonder twijfel afkomstig was uit de zwarte handel. Wij hebhen op de bewuste dag uitzonderlijk goed gegeten en ik vergeet niet mijn neef die in november 1944 was opgepakt om in de buurt van Ede verdedigingswerken aan te leggen, plotseling in de kamer stond: hij was ontsnapt. Het werd het hoogtepunt van de dag. Ruim een maand na het gouden huwelijksfeest overleed mijn opoe. Zij was al ernstig ziek en leefde naar de bruiloft toe. Daarna kon zij rustig sterven. Mijn opa wilde nog heel graag de bevrijding meemaken. Ook deze wens ging in vervulling. Hij overleed in juni 1945.
Niek Prinsen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *