Op zaterdag 14 april jl hield prof Peter Boelhouwer een presentatie voor de bestuursorganen van de Vereniging Eigen Huis. De presentatie spreekt grotendeels voor zich en treft u hieronder aan. Interessant is slide nr. 17 waaruit blijkt hoe goed het model van de TU Delft de ontwikkeling van de woningprijs voorspellen kan. Er werd bij gezegd dat de woningprijs in Nederland nog wel zo’n 20% kon dalen. Hou daar maar rekening mee, dus. Het desbetreffende geluidsfragment is bijgevoegd.
Sinds 2008 ben ik lid van de Ledenraad van de Vereniging Eigen Huis. In mei 2012 eindigt mijn termijn; en ik hou er ook mee op. Belangrijke reden is dat de vereniging zich met iets bezighoudt, waar ze zich niet mee moet bezighouden, nl. de collectieve inkoop van energie èn daarnaast kansen laat liggen op het terrein van de hypotheekmarkt.
Collectieve energie-inkoop heeft niks met het eigen huis te maken. Hiermee komt de Vereniging Eigen Huis op het terrein van consumenten in het algemeen, Maar daarvoor hebben wij de Consumentenbond.
Deze bond houdt zich anderzijds soms ook met zaken bezig die specifiek de eigenhuizenbezitter betreffen: sinds 2011 stort de Consumentenbond zich bijv. op de hypotheekmarkt.
In mijn ogen moet er zeker wat aan de hypotheekmarkt worden gedaan, want de Nederlandse banken rekenen belachelijk hoge tarieven, veel hoger dan omringende landen. Terwijl de Nederlandse hypotheken internationaal de laagste risico’s opleveren! Maar dat is niks voor Consumentenbond: dat is nou iets wat de Vereniging Eigen Huis zou moeten doen (maar laat liggen).
Vragen van mij aan de directeur (Marlies Pernot) over de relatie met de Consumentenbond op het terrein van de hypotheekmarkt en over de collectieve energie-inkoop zijn in de vergadering met de Ledenraad beleefd beantwoord. Maar de vereniging blijft zich buiten het eigenlijke werkterrein begeven met de energie-inkoop èn laat kansen liggen om een factor van betekenis te zijn op de hypotheekmarkt.
Dat zijn strategische fouten die leiden tot erosie van het profiel van de vereniging – wat ook blijkt uit eigen onderzoek van de vereniging: zelfs een flink deel van de eigen leden weet niet goed waar de vereniging nou precies voor staat.
De raad van toezicht geeft hier geen tegengas. Dus geef ik het maar op, met als consequentie dat ik ook mijn lidmaatschap opzeg.
Regelmatig kom ik mensen tegen die tegen de vraag aanlopen hoe ze voor een grote of kleinere groep mensen een presentatie moeten houden. Zij vragen zich af: wat moet ik doen; hoe doe ik dat? Voor die mensen heb ik een paar vuistregels.
1. Goede inhoud
Een goede presentatie is in de eerste plaats een goed verhaal. Een goed verhaal kan ondanks slechte techniek, toch inslaan als een bom. Dus coole gadgets, gelikte vormgeving en dure apparatuur – het helpt allemaal niks als je niks te vertellen hebt. Ingredient nr 1 van een goede presentatie is een goed verhaal.
2. Hou het simpel.
Een goede dia in een presentatie bevat slechts één woord, een korte uitspraak, of (soms) één plaatje. De dia is voor jou alleen een geheugensteuntje voor het onderdeel dat je wilt presenteren. Voor het publiek is de dia slechts het focuspunt, om bij de les te blijven.
3. Bekijk inspirerende voorbeelden
Inspirerende presentatie zijn gemaakt door Lawrence Lessig: één of een paar woorden, korte zin of plaatje per dia)
Voorbeeld: hier
Onlangs verscheen het boek“De ontdekking van de de Middeleeuwen. De geschiedenis van een illusie”van historicus Peter Raedts. In dat boek staat een opvallende passage over verschillende veranderingen rond het jaar 1000:
“De bevolking begint na 950 enorm te groeien. Uit dendrologisch en ander onderzoek weten we dat het klimaat tussen 950 en 1300 dramatisch warmer was dan in de tijd daarvoor. Er was landbouw mogelijk in de Alpen tot op hoogten waar dat zelfs nu niet kan.”
Dit biedt voor de criticasters van de klimaatalarmisten natuurlijk een mooi argument om in de opwarmingsdiscussie te benadrukken.
Op vakantie in Frankrijk (mei 2011) kocht ik een setje wasknijpers. Plastic. Natuurlijk na de vakantie meegenomen naar huis en inmiddels zitten ze een tijdje op het wasrek. Het wasrek staat op een terras, in weer en wind (zomer 2011).
Het viel me op dat de Franse knijpers snel afbraken. Gek. Mijn klassieke houten knijpers willen ook wel eens de geest geven, maar deze kunststof gevalletjes zijn de grondstoffen en de energie van productie en transport totaal niet waard. Hout blijkt duurzamer. Pas dus op voor de plastic wasknijper.
Sinds jaar en dag fiets ik van Wassenaar naar Den Haag. Het is van Wassenaar Centrum naar Den Haag Centrum 17 minuten met auto of motor, met de bus 10 minuten langer en op de fiets, langs de N44, zo’n 35-40 minuten. Met mooi weer een heerlijke tocht. Althans, tot voor kort. Want ik het kader van het verbeteren van de fietsroute is mijn fietspad nu gesloten. Omrijden kan, maar is vervelend. De provincie Zuid-Holland werkt aan de weg want men wil het fietsen bevorderen met “snelwegen” voor fietsers. Een zogenoemde velostrada tussen Leiden en Den Haag via Voorschoten en langs langs de N44 via Wassenaar en Katwijk. Dit kost in totaal € 8,5 miljoen.
Daar is kritiek op: te duur en onnodig, een verkeerd ontwerp.
Misschien gezeur. Maar wie is er eigenlijk voor? En al die langdurige ellende voor de fietsers voor een ietsje comfortabeler fietspad.
Inmiddels heeft de aannemer dus Wassenaar bereikt. En ik moet dus steeds omfietsen. Okay, het scheelt maar 5 minuten. Maar dat is wel 14% van mijn reistijd. En de overlast gaat een tijdje duren. Maar hoelang? De provincie zwijgt erover.
Een kleine gemeente zoals Wassenaar, met ‘beperkte bestuurskracht’, doet dat toch beter: met maatregelen met draagvlak en goede communicatie over de overlast.
In mijn woonplaats schrijft burgemeester Jan Hoekema wekelijks op de gemeentesite over zijn bestuurlijke en persoonlijke activiteiten. Commissies, diners, wandelingen, recepties en congressen. Belangrijke zaken worden zelden of nooit beschreven. Wat het blog laat zien, is een exposé van het netwerk van deze burgervader. Je leest met met wie hij praat. Maar zelden waarover. Gaat het over politiek gevoelige zaken, dan krijgt hij meteen vragen in de gemeenteraad. Dus ik begrijp eigenlijk wel dat hij veel over ongevaarlijke en onbelangrijke zaken blogt.
De vraag is, moet hij hiermee eigenlijk wel doorgaan? Hij is er bij de start van zijn ambt in 2007, op advies van zijn voorlichter, mee begonnen.
Maar na ruim 4 jaar zeg ik: Jan, stop er maar mee. Als je ervaringen spannend zijn, en het ertoe doet, moet je zwijgen. Als als je erover mag schrijven, is het niet interessant.
Vrijwel gelijk met de start van het weblog van Hoekema in 2007, startte ik ook met een weblog. Ook een politiek georiënteerd weblog. Mijn weblog heeft nu echter nog maar zelden een update. Geen weblogs, maar korte, snelle, persoonlijke berichten, foto’s en video’s vormen immers nu het brandpunt op internet. Dus Twitter, LinkedIn, Facebook en Youtube. Reeds daarom is mijn blog nu minder actief dan vroeger.
De bloggende bestuurder of ambtenaar is anno 2011 niet meer hip. Hij is rechts en links via de sociale media ingehaald, vooral door politici die op Twitter, LinkedIn en Facebook de band met hun electoraat hebben aangehaald.
Maar die sociale media zijn vooral geschikt voor journalisten, voorlichters en politici. En hippe mensen die het laatste nieuws binnen hun netwerk willen delen.
Voor de – snelle – sociale media geldt nog meer dan bij bloggen de regel dat een bestuurder of ambtenaar moet oppassen met wat hij zegt. Een twitterende burgemeester of topambtenaar is pas interessant als hij iets stoms schrijft. En op die sociale media is een foutje snel gemaakt. Eigenlijk moet de bestuurder of ambtenaar dus gewoon stoppen of het medium gebruiken voor zaken die niet direct zijn ambt raken. En dat laatste doe ik dus.
LinkedIn is een mooie manier om je online identiteit voor een deel zelf in de hand te houden met een digitaal visitekaartje, c.v. en ook is het handig om je zakelijke netwerk digitaal en up-to-date te hebben. En er is binnen dit sociale netwerk nog wel meer mogelijk.
Een mooie uitvinding dus, vooral voor zakelijke gebruikers/professionals.
Maar……. sinds juni 2011 kunnen je naam en profielfoto ongevraagd worden gebruikt voor advertenties. LinkedIn heeft je accountinstellingen zo veranderd dat je automatisch toestemming geeft voor het gebruik van je naam en je profielfoto in advertenties. Deze verandering is in juni in twee webblogs gemeld. Je bent als profielhouder echter niet persoonlijk op de hoogte gesteld.
Het is mogelijk om de toestemming voor het gebruik van je naam en foto terug te draaien. Daarvoor moeten de accountinstellingen worden aangepast.
Je kunt dit op een eenvoudige manier doen.
- Ga, nadat je bent ingelogt in LinkedIn met de cursor naar je naam
- Er verschijnt een dropdown-menu
- Klik op “Settings”
- Klik linksonder op het tabblad “Account”
- Klik vervolgens op de link “Manage Social Advertising”
- Zet het vinkje UIT bij “LinkedIn may use my name & photo in social advertising”
- Je hebt nu aangegeven niet in te stemmen met het hergebruik van jouw gegevens door LinkedIn.
Ik adviseer iedereen dit te doen.
UPDATE 12/08/2011: Onder druk van vele, vele berichten zoals bovenstaande, en zelfs kamervragen (PvdA) heeft linkedin inmiddels het privacybeleid aangepast. Zie hier.
De advertenties laten voortaan niet zien welke vrienden bijvoorbeeld lid zijn van een groep of iets aanbevelen, er wordt alleen aangegeven hoeveel vrienden dat gedaan hebben.
In de maanden februari-april was ik digitaal ‘n beetje gehandicapt. Ik was voor mijn nieuwe job van werkplek veranderd en moest mijn smartphone en laptop met telewerkvoorziening bij mijn oude club inleveren.
Met een nieuwe kamer, een nieuw bureau, nieuwe secretaresse en … slechts een gewoon mobieltje stapte ik op mijn nieuwe werkplek 6 jaar terug in de tijd. Geen telewerken, niet onderweg mailtjes lezen en beantwoorden, niet buiten kantoor en kantoortijden in de agenda, niet na een afspraak of na een gemiste treinaansluiting via 9292ov.nl een nieuwe reisroute plannen. En evenmin snel iets op Google opzoeken tijdens een vergadering. En wijzigingen in mijn agenda merkte ik meer dan eens te laat.
Nee, gedurende die eerste 100 dagen was ik zonder “kantoor op zak”. De sterk merkbare daling van mijn productiviteit in mijn nieuwe werk weet ik aanvankelijk deels aan de nieuwigheid van de job.
Maar toen kwam daar de Blackberry met de agenda, de mail en internet. En in 1 keer ging alles veel sneller. En beter. En ‘s avonds was ik minder moe. Mijn mailbox was meestal opgeruimd, zaken werden snel afgehandeld. En hoewel er opeens op vreemde tijden heen en weer werd gemaild – tijdens het ontbijt of ‘s avonds op de bank – was ik aan het eind van de dag minder moe. Minder stress. Meer rust in mijn hoofd. En, over de duim gemeten, zeker 30-40% meer effectieve productiviteit.
‘s-Morgens op kantoor kan ik nu direct aan de slag met lichtvoetige gesprekken of zware dossiers. Als ik op kantoor kom, is mijn inbox leeg en mijn agenda bijgewerkt.
Het nieuwe werken is voor mij eigenlijk niet veel meer dan een smartphone, waarmee je je kantoor in feite altijd bij de hand hebt.
Als ik heel lang met vakantie ben, wil ik nog wel eens ‘n afwezigheidsmelding in mijn zakelijke email instellen. Dan weten mailers aan mijn adres dat ik niet binnen een paar dagen check. Iets voor de zomervakantie, waarin een mens er ook echt helemaal uit wil zijn. Als ik een paar dagen weg ben, lees ik mijn mailbox 2 keer per dag na op urgente berichten. laatst had ik er een, toen ik een week in Bretagne zat. Mijn achtervang was met spoed in het ziekenhuis opgenomen en de Haagse achterban móést echt mij hebben. Dat had ik vorig jaar ook 1 keer. Dat kan echt wel eens gebeuren. Via de Blackberry was vanuit Bretagne alles snel onder controle. Terwijl ik vanuit mijn vakantiehuisje een berichtje – noodzakelijkerwijs – met een reply to-all naar ongeveer 30 mensen mailde, kreeg ik een tsunami van out-of-office berichten terug. Soms van mensen die blijkens hun bericht maar 1 of 2 dagen vrij hadden genomen. Ik vraag mij dan af of we worden geacht 24/7 aan de inbox te hangen. Nee toch? Dan is zo’n out-of-office bericht toch helemaal niet nodig als je eventjes een dagje vrij hebt? Vorige week kreek ik het volgend bericht. Van iemand die kennelijk een middag vrij had.
Hartelijk dank voor uw bericht. Ik ben vanmiddag niet op kantoor en zal mijn mail niet lezen. Voor spoedgevallen kunt u contact opnemen met XX@xxx.nl. Uw privé-berichten kunt u sturen aan xxx@xxx.nl. Daarnaast ben ik bereikbaar via + 31.(0)6-xxxxxx. Met vriendelijke groeten,
Tsja. Ik heb geen tijd voor dit soort berichten. Niet om ze te maken als ik een middagje vrij ben, en ik wil ze ook niet ontvangen van anderen.
Kort geleden kreeg ik het boek Ubuntu!, geschreven door de Amerikanen Stephen Lundin en Bob Nelson, in handen. Ik heb het boek in 3 dagen verslonden. Het boek tracht de Afrikaanse filosofie Ubuntu aan de lezer uit te leggen aan de hand van een verhaal. Het verhaal gaat over een afdelingsmanager die moeite heeft zijn afdeling goed te laten functioneren. Hij klaagt over zijn mensen, maakt lange dagen en werkt in de weekends over, waardoor zijn huwelijk kapot gaat. Zijn medewerkers hebben een hekel aan hem en produceren onder de maat. Daardoor dreigt zijn chef hem met ontslag.
Een nieuwe medewerker op zijn afdeling is een jonge Zuid-Afrikaan, die uit eigen beweging hem op een zaterdag begint te helpen. Deze Afrikaan wijdt hem in in de filosofie van ubuntu. Het verdere verhaal gaat over hoe de ubuntufilosofie zich binnen het gehele bedrijf verspreidt.
De ubuntufilosofie is door Nelson Mandela en Desmond Tutu gepropageerd om na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika de vrede tussen de verschillende bevolkingsgroepen te bevorderen.
Op het eerste gezicht lijkt de filosofie communitaristisch van aard. Voor een liberaal een verdachte benadering. In combinatie met het gegeven dat Afrika toch een zeer problematisch continent is, alle reden om ubuntu met grote reserves tegemoet te treden.
Al lezende merkte ik dat ik de afgelopen jaren zelf, als leidinggevende, inderdaad succesvol was waar ik de principes van ubuntu hanteerde – en in de problemen kwam waar ik tegengesteld handelde. Ubuntu is geen nieuwe filosofie, maar bevat principes die wij in Europa ook kennen, maar die we soms te weinig benadrukken of zelfs veronachtzamen. Ik ben ervan overtuigd dat het hanteren van deze principes enerzijds bijdraagt aan maximalisatie van de productie en anderzijds voor werknemers voorwaarden voor maximaal plezier in het werk biedt.
Ik zal hieronder – in mijn woorden – de belangrijkste principes bespreken.
* Ubuntu begint bij het erkennen en omarmen van de menselijkheid, de gelijkwaardigheid en de waarde van ieder mens. Je verdiepen in de individuele medemens is dan ook zeer belangrijk. Wat drijft en motiveert de ander? Ubuntu gaat allereerst uit van de erkenning van de ander om wie ze zijn. Dit principe spreekt individualisten aan, natuurlijk. Maar ubuntu gaat verder. In de tweede plaats ubuntu er vanuit mensen te waarderen om wat ze bereiken. Deze vorm van erkenning zet mensen aan tot prestaties.
* Ubuntu gaat uit van de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alle mensen. Aan het resultaat van de mensheid draagt iedereen bij. Iedereen móét ook zijn steentje bijdragen. Op een kleinere schaal draagt ieder lid van die gemeenschap (land, dorp, bedrijf of gezin) zijn steentje bij.
* Ubuntu propageert het besef dat het gezamenlijk resultaat van ons handelen binnen onze gemeenschap belangrijk is. Het succes van de gemeenschap wordt boven dat van het individu gesteld. De oriëntatie op de doelstellingen van de gemeenschap vereist dat het nodig is, dat er een gedeeld beeld bestaat van de doelen van de gemeenschap.
Hier speelt leiderschap een belangrijke rol. De leider van een gemeenschap (afdeling, bedrijf, sportclub, politieke partij) heeft een essentiële rol bij het creëren van een gezamenlijk beeld van de doelen van de gemeenschap. “Wanneer je verschillen de aard van je relatie laat bepalen, zul je altijd ruzie krijgen. Ubuntu stelt de vraag; ‘Wat hebben we met elkaar gemeen?’en; ‘Hoe kunnen we het beste samenwerken?’
Ubuntu past eigenlijk uitstekend bij het dominant egalitaire denken in Nederland. De Nederlandse cultuur kent een relatief lage machtsafstand. De betekenis van hiërarchie is beperkt. Bij ons geldt een belangrijk principe: steek je kop niet boven het maaiveld uit anders wordt hij eraf gehakt. En ook ons eeuwige polderen – op basis van gelijkwaardigheid zoeken naar een gemeenschappelijk nut – past bij ubuntu. Belangrijk beginsel van ubuntu is dat iedereen gelijkwaardig lid is van de gemeenschap; het gaat erom dat iedereen, binnen zijn eigen mogelijkheden bijdraagt aan de doelen van de gemeenschap.
Ik vind de ubuntufilosofie wel heel erg op belangrijke elementen van de Nederlandse cultuur lijken. Ubuntu wordt gezien als een filosofie die bijdraagt aan hoge productie èn welzijn van de mensen. En Nederland is een land dat vooraan staat op de ranglijst van welvarende landen èn waarin de mensen, in internationaal perspectief, bovengemiddeld gelukkig zijn.
Voor de kredietcrisis was de hypotheekrente z’n 4%, nu is deze zo’n 6%. In buurland Duitsland is de rente ook opgelopen, maar niet zo snel als in ons land. Vandaar dat de Consumentenbond een actie is begonnen tegen de – volgens de bond – te hoge rente.
De hypotheekrentemarkt is een nationale markt. Er zijn maar weinig mensen die over de grens hun hypotheek kunnen halen, nl. alleen diegenen die in een grensgebied wonen. Daarom kunnen de Nederlandse banken gezamenlijk de rente in Nederland hoog houden. Volgens de Consumentenbod steken de Nederlandse Banken daardoor € 3,8 miljard p/j in eigen zak.
Ik zit in de Ledenraad van de Vereniging Eigen Huis. En daarom volg ik die club met extra interesse. En die vereniging behartigt onze belangen als huizenbezitter. Ook op het terrein van hypotheken: in de eerste plaats als uw onafhankelijk adviseur. Maar ook de Vereniging Eigen Huis mag van mij wat meer werk maken van de strijd om een lagere rente. Dat hoort niet de Consumentenbond te doen – die moet opkomen voor algemene consumentenbelangen. Eigen Huis moet opkomen voor specifieke belangen van (adspirant) eigenhuis-bezitters.
Dit gaat over grote bedragen. Dus dit muisje mag van mij nog een staartje krijgen…..
Onlangs had ik een gesprek over sociale media in relatie tot het werk als ambtenaar. Kun je of moet je sociale media gebruiken, vragen sommigen zich af. Een enkeling zou het willen verbieden omdat het – kort gezegd – kan leiden tot interferentie in het politieke domein. Er zijn voor de rijksoverheid recent wat algemene uitgangspunten opgesteld om hiervoor kaders te geven.
Ik ben van nature nieuwsgierig, geïnteresseerd in innovaties. In de loop der tijd heb ik dan ook ervaring opgedaan met sociale media en ben daarbij wel tot wat conclusies gekomen over de ruimte die je als ambtenaar hebt als je werkt in een beleidsmatige of politieke omgeving. Op basis daarvan heb ik naast de algemene richtlijnen 2 persoonlijke vuistregels ontwikkeld:
Vuistregel 1: Niet over kinderen of collega’s
Om te beginnen moet je volgens mij zaken in de besloten sfeer van het gezin, de klas of de werksituatie zoveel mogelijk van het net weren. Minderjarigenzijn kwetsbaar en bescherm ze tegen de openheid van internet. En je collega’s hebben graag zelf de regie over hun (online) identiteit in handen. Mocht zich een unieke gelegenheid zich voordoen, vraag dan eerst aan de ouders of de betrokken collega’s of de foto of de video gepubliceerd kan worden en geef daarbij duidelijk de context aan.
Vuistregel 2: Niet over je eigen werk
Over zaken die op mijn bureau liggen en met wie ik daarover contact heb, geef ik geen informatie. Meer dan mijn positie vertel ik niet. Via LinkedIn is mijn openbare profiel te zien, als een digitaal visitekaartje. Maar de inhoudelijke vraagstukken waarbij ik vanuit mijn functie betrokken ben, houd ik van de openbaarheid van Internet. Buiten mijn directe werk is er genoeg om over van gedachten te wisselen. Er zijn genoeg algemene beleidsvragen, die niet rechtstreeks tot mijn dagelijkse werk te herleiden zijn, waarvan het zeer nuttig is, om daarover, via sociale media, kennis te verwerven – en te delen.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 haalde de VVD in Wassenaar 8 raadszetels. Door voorkeursstemmen haalden enkele mensen die lager dan de 8e plaats stonden, te weten de nummer 9, de nummer 14 en de nummer 17 van de lijst een plek in de raad.
Nu hadden de nummer 9 en 14 in eigen kring enige aanhang weten te verwerven in respectievelijk de buurtvereniging en de hockeyclub. De nummer 17 – dhr Ben Paulides – had een openlijke persoonlijke campagne gevoerd, die zich richtte tegen de gevestigde orde – waar natuurlijk ook de eigen VVD deel van uitmaakte. “Ik ben ontevreden over de politiek”, was zijn kernboodschap, o.a. in advertenties in de lokale krant, terwijl de VVD een centrale campagne voerde onder de slogan Groen, Veilig en financieel gezond.
Hij kreeg op zijn naam welgeteld 160 van de 4.318 op de VVD uitgebrachte stemmen. Daarmee haalde hij ruim 29% van een zetel. Maar door het systeem waarmee voorkeursstemmen worden gewogen, kreeg hij toch een plaats in de gemeenteraad.
De VVD Wassenaar leidde vervolgens als grootste partij de coalitievorming en kwam in het college met 2 wethouders die uit de fractie werden gerecruteerd.
Paulides maakte intussen deel uit van een fractie die het establishment vormde èn steunde, terwijl hij zich in zijn persoonlijke verkiezingscampagne daartegen had gekeerd. Dat kon niet lang goed gaan, en wat men verwachtte is gebeurd. Paulides is uit de VVD-fractie en is voor zichzelf begonnen onder de naam Democratische Liberalen Wassenaar (DLW).
Paulides schrijft hierover:
Volksvertegenwoordigers worden op persoonlijke titel gekozen en benoemd. Hierdoor bestaat voor ieder raadslid de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
Volgens de Kieswet is dat zo. Maar de vraag die gesteld kan worden is of Paulides in politieke zin zijn raadszetel mag houden. Ruim 70% van de stemmen waarop zijn raadszetel is gebaseerd, waren stemmen die niet op hem waren uitgebracht. Zie hiervoor onderstaande uitslag:
De uitslag per kandidaat
Stemmen
1. Bert Ooms (lijsttrekker)
1525
2. Henk de Greef
717
3. Anouk van Eekelen
392
4. Marc van Dijk
133
5. Liz Schaefer
138
6. Margaret de Vos van Steenwijk
493
7. Hans Akerboom
87
8. Ankie Erwich
10
9. Onno van Buren
147
10. Monique van Deursen
78
11. Jacob Jan Bakker
24
12. Afke Schaart
123
13. Caroline Rutten
27
14. Jan Pieter Becker
145
15. Frans Micklinghoff
69
16. Ben Paulides
160
Maarten Prinsen (lijstduwer)
50
Totaal VVD-stemmers
4318
Aantal VVD-stemmen per raadszetel
539,75
Volgens deze uitslag haalde lijsttrekker Bert Ooms 2,825 zetels binnen en de nr. 2 van de lijst (wethouder) Henk de Greef 1,328 zetel. Het raadslid De Vos van Steenwijk bleek ook (weer) populair in het dorp en haalde op eigen kracht bijna een hele zetel binnen (0,913 zetel).
Maar Paulides heeft met zijn 160 stemmen dus maar 0,296 zetel binnengehaald.
Mijn vraag is nu: Rechtvaardigt deze geringe electorale basis van zijn zetel, dat hij zelfstandig in de gemeenteraad zijn zetel mag aanhouden?
p.s. Intussen is Raadslid Paulides wel goed voor veel reuring in de media, en zorgt voor hilarische raadsvragen over het scheefwonen van burgemeester Hoekema en zijn vrouw n.a.v. de laatste verbouwing aan de ambtswoning: “Was het terras wellicht zo slecht dat de burgemeester met zijn vrouw dreigde scheef te gaan wonen?”
Op woensdag 9 februari 2011 werd in de Oude Zaal van de Tweede kamer het Symposium Informatie en Politiek gehouden. Dit naar aanleiding van het promotieonderzoek van Guido Enthoven naar het recht van de Kamer om informatie te krijgen.
Weet de Tweede Kamer wel genoeg? Dat was de centrale vraag. De politiek wil van alles weten. Men wil niet te veel, niet te weinig, en de juiste informatie op het juiste tijdstip in de juiste vorm.
Het D66-kamerlid Gerard Schouw signaleerde een toename van kamervragen. Niet om informatie van de regering te krijgen, maar voor het nieuwsfeit dat het kamerlid met de vragen creeert. Het nu-punt-en-elletje, noemde hij dat.
Los van die discussie, werd mijn aandacht tijdens het symposium getrokken door een opmerking uit de zaal, van journalist Frits Wester. Hij stelde dat politici niet op zoek zijn naar feiten en inzichten uit de informatie en rapporten om hun mening te vormen of aan te passen. Volgens Wester zijn politici vooral op zoek naar rapporten om het gelijk van hun standpunt te onderbouwen. Politici zijn volgens Wester op zoek naar de feitelijke of wetenschappelijke onderbouwing die het eigen standpunt steunt of onderbouwt. Politici zouden volgens Wester dus selectief willen winkelen in de kennis waar de Kamer toegang toe heeft. De informatiebehoefte is volgens hem niet bedoeld om een menig of standpunt te vormen of te herzien, maar om een reeds ingenomen standpunt te onderbouwen. Politiek maakt doof en blind?
Nu zou men dit cynisch kunnen noemen van iemand die al heel lang rondloopt in de Haagse politiek. De werkelijkheid is natuurlijk ook nooit zo scherp. Maar Wester loopt echt heel lang mee in de politiek: 37 jaar, en hij heeft heel veel politici van nabij meegemaakt. Zou hij niet een klein beetje gelijk hebben?
Een jaar na de aardbevingsramp op Haïti is er ondanks de enorme hoeveelheid hulp en geld (Nederland: € 111 miljoen) nog altijd een noodsituatie in het land. Nog altijd leven meer dan een miljoen mensen in tenten of onder zeildoeken. De hoofdstad ligt nog steeds bezaaid met puin en het land kent ernstige politieke besluiteloosheid.
Een tsunami van hulporganisaties, voorzien van royale financiële middelen, heeft zich vorig jaar op Haiti gestort, maar blijkbaar zonder succes. De over elkaar buitelende hulporganisaties willen nog jaren met Haïti doorgaan. En intussen zitten de Haïtianen nog steeds massaal onder hun zeildoeken en tenten. En ze worden geholpen, geholpen en geholpen. De hulporganisaties willen doorgaan, en meer coördineren. Maar de vraag is of deze noodhulp nog wel helpt, of dat de hulp de nood juist in standhoudt.
De feiten wijzen richting het laatste. Maakt die noodhulp de inwoners misschien afhankelijk en ontneemt het hen de noodzaak om zelf initiatieven te nemen?
In de gezondheidszorg ken men het fenomeen ‘hospitaliseren’: het zó gewend raken aan de verzorging in een ziekenhuis dat men zich daarbuiten moeilijk kan handhaven. Hoe langer de verzorging duurt, hoe groter de kans is dat de patiënt hospitaliseert. Zou het bij de noodhulp niet ook zo werken? Hoe langer men noodhulp geeft, hoe moeilijker men op eigen kracht verder kan? Zouden we dan niet juist deze noodhulp moeten afbouwen, in plaats van deze meer te coördineren?
Op 14 december 2010 sprak ik met Arend Jan Boekestijn – één jaar na zijn aftreden als Kamerlid en de daaropvolgende publicatie van zijn boek ‘De prijs van een slecht geweten. Waarom hulp in haar huidige vorm niet werkt’. Ik vroeg hem of hij afgelopen jaar nog nieuwe inzichten was gekomen over het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking. En dat is zo!
Verder vroeg ik hem naar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid door gemeenten en provincies.
Boekestijn wilde daarnaast naar aanleiding van de recente discussie over Wikileaks ook wel wat kwijt over het optreden van Fancisco van Jole en Jort Kelder in die discussie.
Ten slotte vroeg ik hem of we hem ooit terug zullen zien in de politiek.
Zie hieronder de video van (iets meer dan 7 minuten) – gemaakt op het Landgoed Clingendael – in het Zuidelijkste puntje van Wassenaar.
We leven in een tijdperk van internet bij de ontbijttafel, onderweg, op kantoor, op de bank met de laptop. We zijn de hele dag online en bereikbaar; we krijgen een constante stroom van vragen, tips, nieuws, meningen en andere signalen. Dat heeft fantastische mogelijkheden. Maar er is een schaduwkant. Het continu online zijn, remt het vermogen om prioriteiten te stellen en te focussen op de zaken die ertoe doen. Die continue stroom van binnenkomende communicatie leidt af.
Mijn dag werd steeds meer gevuld met het lezen en reageren op wat via deze stroom binnenkomt. En sinds mijn zakelijke smartphone wed dat alleen maar erger. Maar je productie wordt intussen zo wel erg reactief. Of het nou om werk of privézaken gaat.
Sinds kort heb ik al mijn 12 privé emailadressen via hotmail tot één mailbox omgebouwd – met dank aan microsoft live. Mijn e-mail, Twitter, LinkedIn en Facebook check ik nu op vaste tijden. Ook kijk ik meteen mijn favoriete feeds.
Maar de rest van de dag bevat nu blokken voor het productieve en creatieve werk en gesprekken. Internet is daarbij alleen nog een bron om iets snel op te zoeken.
Maar de mail en sociale media staan uit. En hoe meer ik die berichtenstroom afknijp, hoe meer rust ik in mijn hoofd heb om productief te zijn en mij te concentreren op de prioriteiten, met minder infostress. En mijn smartphone zit grotendeels in mijn jaszak. En dan mis ik inderdaad wel eens een bericht – maar nooit zonder grote schade. Want als ze me echt moeten hebben, bellen ze me gewoon.
Iedereen heeft het over vernieuwing en hervorming. Alles moet beter, efficiënter, goedkoper en slimmer. Of het nou over de overheid of T-Mobile gaat.
Vernieuwen, innoveren, is vooral het nieuw combineren van bestaande dingen: een nieuwe combinatie. Zo’n nieuwe combinatie krijg je door op een andere manier naar het bestaande te kijken: een nieuw paradigma of een andere invalshoek.
In bestaande organisaties of netwerken komt innovatie vaak maar moeilijk van de grond. In een netwerk van gelijkgestemden – die we ook steeds geneigd zijn op te zoeken – is het lastig vernieuwen. En als we steeds dezelfde mensen vragen om oplossingen voor dezelfde problemen, krijgen we ook steeds dezelfde oplossingen. Als we blijven doen wat we deden, krijgen we wat we altijd kregen.
Voor innovatie is toch een botsing of een confrontatie nodig. Iemand die met een totaal ander denkkader naar dezelfde werkelijkheid kijkt.
Nieuw perspectief
Voor vernieuwing heb je dus ook eigenlijk nieuwe mensen nodig, althans iemand die het bestaande in een nieuw perspectief zet. Verandermanagers doen vaak niet anders. En als ze dat heel slim doen, benutten ze de diepgaande kennis van de ‘zittende mensen’ over het bestaande om die innovatie te voeden. Die ‘zittende mensen’ zijn vaak professionals – en die willen in de regel graag ook excelleren in hun werk. En in die behoefte aan verbetering schuilt een geweldige voedingsbodem voor innovatie. De echte innovatie is het meest succesvol van onderop. Het is niet de hippe, innovatieve, elite uit de “creatieve sector” die de wereld gaat vernieuwen en verbeteren. Het zijn de gewone professionals, de kenniswerkers, die ernaar streven om hun werk goed en waar mogelijk beter te doen – om uiteindelijk de wereld ‘n beetje beter te maken. Het enige wat ze nodig hebben is – een beetje – richting en zingeving. Weten waar ze het voor moeten doen. Innovatie van onderop
Dus wil je innoveren, dan moet je, behalve wat zingeving, de werkvloer vooral daarvoor ruimte geven. Google geeft elke ontwikkelaar 20% ‘playtime’ – om te werken aan eigen ideeën, die in de toekomst tot nieuwe winst voor Google kunnen leiden. En met succes. Ook het Australische softwarebedrijf Atlassian, doet iets soortgelijks. Zij hebben een versie 2.0 van dat Google-beleid ontwikkeld: het bedrijf geeft zijn werknemers een periode van 24 uur volledige vrijheid om om te werken aan wat ze willen, als het maar iets met het bedrijf te maken heeft. Er wordt wel wat omheen georganiseerd (de aftrap op donderdagmiddag 14.00 uur, de afronding op vrijdag 15.00 uur en de bijbehorende 40 pizza’s en 600 biertjes). Die ene dag, de zogenoemde ‘FedEx day‘, wordt benut voor productinnovaties, aanpassingen en verbeteringen waarvan de werknemers zèlf denken dat die het meest belangrijk zijn.
Deze aanpak heeft het bedrijf geen windeieren gelegd. Het gaat ook niet alleen om de vernieuwingen op zich. Het geeft ook een enorme stimulans aan het werkklimaat in het bedrijf. En dat werken daar ‘fun’ is, straalt het bedrijf ook uit naar zijn afnemers. Het relatief kleine bedrijf is inmiddels een wereldwijde groeier! En hun FedEx day beleid wordt inmiddels ook door de concurrentie overgenomen.
De conclusie van dit verhaal ligt voor het oprapen.
Dit najaar heb ik mij gestort op het zogenoemde “systeemdenken”. Ik heb mij via een training van drs.Y.W. (Joep) Choy verdiept in een, voor mij, nieuwe manier om complexe interactiepatronen in organisaties in kaart te brengen en te beïnvloeden.
Interessant voor organisatieadviseurs, interimmanagers, mediators of verandermanagers. In ken veel mensen die in zo’n rol hun geld verdienen, en soms zit ik zelf ook in die rol.
Volgens Joup Choy moet je – kort gezegd- niet naar organisaties als zodanig en mensen als zodanig kijken, maar je probeert de relaties tussen mensen in kaart te brengen en kijkt naar hoe die relaties elkaar beinvloeden. In het organisatieadvieswerk is dat een vrijwel omisbare manier om inzicht te krijgen in het functioneren van organisaties. En het geeft inzicht om vervolgens te kunnen interveniëren: systeeminterventies.
De basis van het systeemdenken is eigenlijk heel simpel: het is gebaseerd op het principe “de vriend van mijn vriend is ook mijn vriend”. Of andersom: de vijand van mijn vriend is ook mijn vijand.
Het systeem in beeld via de constructieve roddel
Door slim te vragen naar onderlinge relaties tussen mensen in organisaties, kun je inzicht krijgen in de relaties. Choy pleit voor het hanteren van zogenoemde “circulaire vragen”. Je vraagt iemand – in bijzijn van anderen! – naar de betrekkingen tussen die anderen: anders gezegd: aan A vraag je naar de relatie tussen B en C, waar B en C bij zijn, aan B vraag je naar de mening van A over C enzovoorts.
Op die manier krijg je informatie over verhoudingen tussen 3 of meer mensen (triades). Belangrijk is om te weten of die in evenwicht zijn of dat die niet in evenwicht zijn. In onderstaande video een impressie van een gesprek waarin de circulaire vraagtechniek – de constructieve roddel – wordt toegepast.
Ingrijpen in het systeem
Als iedereen in een systeem – bijv. een afdeling, bestuur of team – goed met elkaar kan opschieten, is er niks aan de hand. Het probleem ontstaat als er ergens 2 mensen niet goed met elkaar omgaan. Dat levert onvermijdelijk spanning op in de andere relaties.
Relaties die uit balans raken, leveren spanning op: een collega waar je altijd heel goed mee kon opschieten, knoopt vriendschappelijke betrekkingen aan met een nieuwe collega in de organisatie waarvan je al snel merkt dat je daarmee niet door één deur kan. Dit zal effect hebben op jou relatie met je oude of met je nieuwe collega. Welk effect dat zal zijn, kan niet uit het model worden voorspeld.
Een negatieve relatie tussen 2 personen in een systeem, kan een verdergaand negatief effect hebben op het hele systeem. Dat ontregelen kan overal gebeuren waar mensen op elkaar zijn aangewezen, in werkorganisaties, maar evengoed in vrijwiligersorganisaties, sportclubs of politieke contexten.
Ik heb dat meer dan eens ook meegemaakt. Door de binnenkomst van een nieuw persoon in een subsysteem, een afdeling of een bestuur, waarmee één van reeds in het subsysteem aanwezige personen een negatieve relatie ontwikkelt, raakt het gehele subsysteem ontregelt. Vaak wordt dan vanuit het grotere systeem, bijvoorbeeld het centrale management van het bedrijf of het centrale bestuur ingegrepen.
Interveniëren is dan geboden om niet het gehele systeem verder te laten ontregelen.