Pas op voor politieke kletspraat

De filosoof Harry G. Frankfurt (1929-2023) publiceerde in 1986 in zijn - uiteindelijk  - meest bekende werk " On bullshit "; een diepgaande analyse van het fenomeen ' bullshit' ofwel 'onzin' of ‘ kletspraat ’. Frankfurt betoogde dat leugens opzettelijke misleidingen zijn, waarbij iemand bewust onwaarheden vertelt om anderen te misleiden. Bullshit daarentegen is volgens hem niet per sé gebaseerd op onwaarheden, maar het ontbreekt de bullshitter aan een interesse in de feitelijke waarheid of juistheid van de beweringen.  Waarom bullshit? Frankfurt onderzocht de motieven achter het produceren van bullshit. Hij stelt dat mensen bullshit vaak gebruiken om indruk te maken, hun imago te verbeteren of hun eigen agenda te bevorderen. Bullshit kan ook worden gebruikt om anderen te misleiden of om een vaagheid te creëren waardoor men zich kan onttrekken aan verantwoordelijkheid of kritiek. Een cruciaal aspect van bullshit is dat het vaak wordt geproduceerd zonder ee

Waarom we “nutteloze” wetenschap moeten koesteren


Het “nut” van wetenschap is een belangrijk argument voor de financiering van wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappers worden aangemoedigd om onderzoek te doen dat een duidelijke maatschappelijke of economische impact heeft. De Nationale Wetenschapsagenda is daar een uitdrukking van. De overheid subsidieert via de NWO vooral projecten of programma’s die zijn bedoeld om de economische of maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten en te versnellen. Dus het moet vooraf bepaald nut hebben. 

Dit is begrijpelijk. Wetenschap moet ten goede komen aan de samenleving. Wetenschappelijk onderzoek kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering, armoede en ziekte. Het kan ook leiden tot nieuwe technologieën en innovaties die de economie stimuleren en ons leven verbeteren.

Toch is het nut van wetenschap niet altijd voorspelbaar. Veel doorbraken in de vooruitgang van het denken voor de mensheid zijn ontstaan door toevallige ontdekkingen. Door wetenschappelijk onderzoek zonder vooraf gedefinieerd nut.


Een bekend voorbeeld is de ontdekking van penicilline. In 1928 ontdekte de Schotse bacterioloog Alexander Fleming per ongeluk dat een schimmel, Penicillium notatum, bacteriën kon doden. Fleming had geen idee dat hij een medicijn had ontdekt dat een revolutie zou teweegbrengen in de behandeling van infecties.

Een ander voorbeeld is de ontdekking van röntgenstraling. In 1895 ontdekte de Duitse natuurkundige Wilhelm Röntgen dat een nieuw type straling door de huid kon dringen en een beeld kon maken van de botten en organen van het lichaam. Röntgen had geen idee dat hij een baanbrekende nieuwe technologie had ontdekt.

Deze voorbeelden laten zien dat toeval een belangrijke rol kan spelen in wetenschappelijk onderzoek. Het is niet altijd mogelijk om vooraf te voorspellen welke onderzoeksresultaten tot nuttige toepassingen zullen leiden.

Natuurlijk is het belangrijk om wetenschappelijk onderzoek te doen dat een duidelijke maatschappelijke of economische impact heeft. Maar toevallige ontdekkingen kunnen leiden tot doorbraken die we nooit hadden kunnen voorzien.

Het is niet altijd mogelijk om vooraf te voorspellen welke onderzoeksresultaten tot nuttige toepassingen zullen leiden.

Daarom is het belangrijk om ruimte te laten voor wetenschappelijk onderzoek zonder vooraf gedefinieerd nut. Onderzoek door de wetenschap zonder vooraf bepaald “nut” moeten we koesteren!


Reacties